Vroeger had ik een mooie bos haar met een natuurlijke kroes er in. En natuurlijk moest die mooie bos af en toe naar de kapper. De boodschap was steevast: “niet te veel er af, alleen de dooie puntjes bijknippen”. Onze plaatselijke kapper wist dan wat de bedoeling was. Na afloop liep je er dan ook niet voor schut bij. Je kapsel paste nog steeds bij wie je was en bij je outfit, in mijn geval een rode spijkerbroek, zwart T-shirt, zwart jack met witte badstof binnenvoering en natuurlijk half hoge laarzen.

Maar niet alle kappers zijn hetzelfde, sommigen hebben toch een andere kijk op de zaak. Die hebben er geen benul van hoe zo’n combinatie in een jongenshoofd zit. Zo ook een kapper in Arnhem waar ik onverwacht verzeild raakte. “En jongeman, wat moet het worden?” “Bijknippen, lang houden en alleen dooie puntjes er af” was mijn reactie. Het werd een ravage, van heel lang naar heel kort. “Tja, je had heel veel dooie puntjes”zei de kapper. Met lood in de schoenen keerde ik terug naar school. “Zo” zeiden mijn vrienden. “Ik weet waar jij naar de kapper bent geweest, die houdt niet van jongens met lange haren”. Heel mijn imago naar de knoppen en het duurde maanden voordat ik er weer fatsoenlijk mee voor de dag kon komen.

In de loop der tijd trok de haargrens zich terug en ontpopte mijn vrouw zich als thuiskapper. Maar die heeft ook een eigen kijk op de zaak. Je kunt je verzetten met opmerkingen als “je lijkt mijn moeder wel met lekker kort”, maar geloof me, je delft het onderspit. Mijn imago hoef ik niet meer te beschermen dus ik laat me gedwee om de paar weken onder het kapperskleedje zakken. Maar; over mijn twee-dagen-baardje blijf ik de baas, voorlopig dan.

Maak jouw eigen website met JouwWeb