Traditiegetrouw slenteren mijn vrouw en ik meestal op maandagmiddag over de Wijchense kermis. We beginnen op de Markt, door het hocerastraatje en de Kasteellaan naar de laatste attractie, terug richting viskraam voor een lekkerbekkie, en dan via de kasteeltuin weer naar huis. Soms doen we er twee uur over, soms een halve dag. Ligt er aan wie we tegen het lijf lopen of dat we onze oudste zoon tegen komen bij de borreltent.
Op onze route komen we pure nostalgie tegen. De grijpers die bijna alles net te vroeg los laten, de bulldozers met de schuifmuntjes die maar niet over de rand willen vallen, de rups met de pluim die net voor je neus weggekaapt wordt tot aan alles wat draait en over de kop gaat. En zeker in die laatste categorie ligt mijn kermispret. Of eigenlijk, lag. Vroeger was hoog ook hoog maar dat is nu laag.
En vroeger was hard ook hard maar dat is nu langzaam. Ik kijk nog met veel genoegen naar al die attracties die hoog en hard gaan maar of mijn gestel dat nog aan kan?
Toen mijn dochter nog klein was gingen we samen in die dingen, mijn zoons bemoeiden zich liever met de kamelenrace.
Schijters waren het. Nu lopen we samen met onze kleindochter van bijna drie over de kermis als het rustig is, of tijdens de prikkelarme uren. Maar ik ben benieuwd of de geschiedenis zich gaat herhalen. Gaat opa samen met zijn kleindochter in de Booster tot 60 meter hoog en 120 km hard ? Tegen bekenden die we tegen komen doe ik of het een peulenschilletje is. “Ja natuurlijk” zeg ik, “heb in Walibi wel in ergere dingen gezeten”. Het bekt goed maar het wordt waarschijnlijk gewoon ouderwets laag en langzaam in de swingmill of de octopus.
Maak jouw eigen website met JouwWeb