Als je op Google Maps van 1960 zou kijken zou je kunnen zien dat we buiten de bebouwde kom woonden. En dan niet aan een klinker of asfaltweg, nee, aan een zandpad. Een pad vol met hobbels en kuilen. Voor de boeren om ons heen was dat geen probleem, die schakelden er soms nog gewoon een tandje bij met hun tracktoren. Het pad hield op na ons huis, het veranderde dan in een veldweg met diepe karrensporen.

Wat jaren later werd het zandpad en veldweg geasfalteerd en doorgetrokken richting Valburg. Er werden wat bomen naast gezet en af en toe een bordje met `zachte berm`. Niet iedereen had dat in de gaten, vooral beginnende bestuurders vonden ons weggetje wel interessant en hadden geen oog voor de berm.

Zo kwam mijn vader een keer thuis met het verhaal dat hij een stelletje in een geparkeerde auto had gewaarschuwd voor het gevaar van de berm. Omdat de ramen beslagen waren was hij genoodzaakt te kloppen op een van de ramen. Twee paar verschikte ogen stamelde wat onsamenhangende woorden, “maar”, zei mijn vader, “even later zag ik een jongedame uitstappen met haar witte pumps in de modder en probeerde de auto, die niet wilde starten, uit de berm te duwen. Toen ben ik maar even gaan helpen”.

Terug naar het heden. Ik kom aan de praat met een van onze nieuwe leden van de dweilband. Blijkt ze uit hetzelfde dorp te komen als ik, en ja dat weggetje waar ik woonde kende ze natuurlijk ook. Het vrijerslaantje van het dorp. Dan zegt ze: “weet ik nog iets leuks over. Hadden we net verkering, komen we vast te staan in de berm. Auto start niet en ik met mijn witte pumps ….” “Ha”, roep ik “dat verhaal ken ik”.